Vrouwe van Arak - Hoofdstuk 1


Alsjeblieft! Het eerste hoofdstuk van Vrouwe van Arak, een verhaal over de band tussen een eenhoorn en een meisje. Zo kun je alvast een beeld krijgen van het boek. Onderaan staat de link naar de verkooppagina van het boek op bol.com. Je kunt onder het hoofdstuk je mening achterlaten of vragen stellen. Let op: de illustraties staan alleen in dit artikel en niet in het boek. Veel leesplezier!

Vrouwe van Arak


Een kroniek van de eenhoornrijders



1



Mehory reed door de heuvels achter de wouden van Zaren. Het landschap was leeg en stil. Ze hield haar grakkah in de laagbuikige draf die het dier tijden kon volhouden en keek teleurgesteld rond.
Gras, gras en nog meer gras.
Hier en daar waren de lange stengels waar de grakkah met zijn buik langs streek al omgebogen door de felle najaarswinden. Het reptiel trok zijn spichtige poten hoog op om niet te struikelen en maakte kreunende geluidjes van inspanning.
In de verte begonnen de wouden die de voet van de Herann bedekten en zich uitstrekten tot bijna halverwege de bergketen. De Herann zelf was niet meer dan een blauw waas tegen een hemel waaraan de zon al begon te zakken.
Mehory hield Kilwick in op de top van een heuvel. Ze zweette in haar felgekleurde pyrprenen rijpak. Ze had het uitgekozen omdat haar figuur er goed in uitkwam, het had een uitgekiende snit die haar slanke figuur be­nadrukte en haar tegelijkertijd langer deed lijken. Nu had ze spijt dat ze niet wat luchtigers had aangetrokken. Ze blies zuchtend haar adem uit. De tocht had haar vermoeid.
De grakkah hijgde, de bek wijd open in een verstarde grijns die plooien in de beschubde kop trok. Zijn neusgaten, zover opengesperd dat de rode slijmvliezen te zien waren, rimpelden op onder de schakels van het kettinghalster waaraan de teugels bevestigd waren.
Hoewel er niets bijzonders te zien was, maakte Kilwick lage grom- en fluitgeluiden die zijn opwinding verrieden.
Mehory speurde de omgeving af, waarbij ze afwezig over de leigrijze schubben op zijn schouders wreef. Het dier had de kleuren van een bewolkte hemel, op zijn rug donkere schubben, onder zijn buik de zilverachtige huid die de reden vormde dat ze hem ooit gekozen had.
Haar wimpers vormden een kastanje waas toen ze haar ogen dichtkneep tegen de lage stralen van de zon.
Dit was het grondgebied van de kazerne van Zaren. Verboden terrein.
Er deden allerlei verhalen de ronde over wat er zou gebeuren als je betrapt werd door een van de rijders, en nog wildere verhalen over wat er zou gebeuren als de eenhoorns je op hun territorium zouden aantreffen, maar Mehory was er van overtuigd dat die verhalen in het leven waren geroepen om ongewenste bezoekers te weren. Ze reed nu al een hele tijd op het terrein van de eenhoornrijders, en heimelijk had ze erop gehoopt dat ze er een eenhoorn zou tegenkomen. Of een rijder.
Teleurgesteld besloot ze dat het genoeg was geweest.
Ze rukte ongeduldig aan de teugel om Kilwick te keren. Het lange reptiel kreunde uit protest. Mehory schudde geïrriteerd een lok bruin haar uit haar gezicht en stuurde de grakkah tegen een helling op.
Hij hief met een ruk zijn kop, maakte een metaalachtig keelgeluid en opende zijn bek wijd. De gele tanden blikkerden, en hij siste en blies alsof hij tegenover een rivaal stond.
‘Houd op, Kilwick,’ schreeuwde ze, maar ze drong niet tot hem door. Hij verhief zich met een ruk op zijn achterpoten, steunend op zijn in een punt uitlopende staart, en begon schril en opgewonden te fluiten. Mehory sloeg achterover van haar rijdier, smakte met haar gezicht in taaie, scherpe stengels. Het schrijnde gemeen.
Een glinstering van schubben in het zonlicht, maaiende poten: de grakkah draaide zich razendsnel om. Mehory hield de teugels uit alle macht vast, kon het dier onmogelijk tegenhouden. Ze werd meegesleurd; haar voeten sleepten door het gras.
Een klauw raakte haar vol op haar been, en met een kreet van pijn liet ze los. Grote kluiten aarde en graspollen vlogen op toen het dier aanzette in de snelle grakkahdraf en ervandoor ging.
‘Kom terug,’ schreeuwde ze hem na, hoewel ze wist dat het zinloos was. De grakkah verdween over de heuvel. Mehory krabbelde overeind en klopte haar kleren af. Haar been deed pijn, maar ze zou er wel op kunnen lopen. Als ze terug in het woud was zou ze haar grootvader oproepen op haar vid. Hij zou haar waarschijnlijk meteen met zijn zweeftuig komen ophalen zodra hij hoorde dat ze geblesseerd was.
Ze reikte gedachteloos naar haar vid en schrok. Hij was weg: waarschijnlijk was het bandje gebroken toen Kilwick haar meegesleurd had. Ze speurde de grond af maar het was hopeloos. Tussen de hoge halmen kon ze de vid niet meer terugvinden. En terwijl ze over de ongelijke bodem heen en weer liep, merkte ze dat haar been toch wel erg veel pijn deed, meer dan ze aanvankelijk dacht. Zo zou ze niet ver komen. Ze keek rond. Wat moest ze nu?
Daar!
Luid zoog ze haar adem in.
In de verte, zover dat ze nauwelijks kon onderscheiden wat ze zag, zat een gestalte op een eenhoorn. Ze tuurde.Het dier bewoog met behoorlijke snelheid, maar het was veel te ver weg voor details.
Mehory’s hart klopte in haar keel. Opgewonden tuurde ze naar de horizon om zoveel mogelijk op te vangen van de eenhoorn die met krachtige sprongen naderde. Maar de rijder merkte haar niet op. Hij boog af en galoppeerde op zijn eenhoorn op grote afstand langs haar heen. Ze schreeuwde over de grasvlakte, maar haar stem ging verloren in de wind.
Strompelend baande ze zich een weg door het gras, dat tot aan haar middel kwam en zich rond haar benen wikkelde. Ze hield de man op zijn eenhoorn strak in het oog. Hij minderde vaart, reed nu stapvoets, en ze was hem nu bijna dicht genoeg genaderd om hem te kunnen roepen.
Alsjeblieft, ga niet harder rijden, alsjeblieft, dacht ze.
Maar de man en zijn eenhoorn zochten rustig hun weg door het gras.
Ze zoog de lucht diep in haar longen, hield hem even vast. Ze schreeuwde zo hard ze kon. Even stond het paar bewegingsloos afgetekend tegen de grauwe hemel, versmolten als één grotesk, vreemdsoortig wezen. Toen galoppeerden ze stormachtig haar wereld binnen.
Verschrikt zag ze hen voor zich opdoemen, maar ze zette zich schrap en bleef staan. Ze had geen keus. Ze had hulp nodig.
De eenhoorn stopte vlak voor haar zo abrupt, dat zijn achterpoten een stukje doorgleden over de grashalmen voor de klauwen zich in de grond boorden, en zijn voorpoten zich een stuk boven de grond verhieven. Hij torende boven haar uit, en toen hij terug op de grond landde, rook ze de doordringende, zoetzilte geur van zijn zweet.
De grote hoorn ging rakelings langs haar heen. Het dier had zijn hoofd af­gewend. Het stapte nu een paar passen achterwaarts waardoor wat afstand tussen hen ontstond, en hield het hoofd schuin, als om haar eens goed op te nemen.
Mehory ademde zwaar. Ze stopte haar handen onder haar oksels en klemde ze stevig vast met haar bovenarmen, om het trillen tegen te gaan. Het dier keek haar dreigend aan. Ze had zich van alles voorgesteld bij een eerste ontmoeting met deze dieren, maar de realiteit was een ruwe schok. En tegelijkertijd was het vele malen prachtiger dan ze zich ooit had durven voorstellen. Ze wilde dit moment indrinken, het voor eeuwig vasthouden. Haar ogen gleden gretig langs de eenhoorn en de man die hem bereed. Alsof ze de betovering zou verbreken door een tel haar blik af te wenden, en dit wezen niet meer dan een luchtspiegeling zou blijken.
De eenhoorn welfde zijn lange hals, liet zijn hoofd zakken. Het voorhoofd was breed, met grote knobbels die zijn ogen overhuifden. Tussen de benige uit­steeksels bevond zich de hoorn: hij was lang, zo lang als haar arm, minstens, en flonkerde mat in het licht van de namiddagzon. De punt was vlijmscherp.
En hij was op haar gericht.
Het maakte haar nerveus. Ze wendde haar blik schichtig af en keek de rijder aan.
Hij leunde losjes op de schoft van het dier en bekeek haar rustig door samengeknepen ogen. Hij droeg een verschoten leren broek. De mouwen van zijn ruime witte blouse, die al een tijdje geleden zijn laatste wasbeurt gehad had, waren een paar keer opgerold. Zijn huid was gebronsd en ver­weerd, met diepe lijnen naast zijn ogen en brede mond; het gezicht van een man die meer buiten dan binnen is. Donker haar kwam los uit het koord waarmee het in zijn nek bijeen gebonden was.
Hij streek afwezig een lok achter zijn oor.
De eenhoorn gromde.
Hij gromde echt. Rommelend en laag, alsof het diep uit zijn binnenste kwam. Mehory’s hart begon te bonzen. Zo hard, dat ze zich zorgen maakte of de man op zijn eenhoorn het niet kon horen.
‘Ik wist niet dat ik al zover van huis was,’ stortte ze zich in een verklaring, hoewel de man nog geen woord had gezegd. ‘Ik wist niet dat ik op uw terrein was.’
De man hief zijn hand. ‘Iedereen weet dat het gebied achter het woud Rijdersterrein is,’ zei hij bruusk. ‘Laat het niet nog eens gebeuren, kind. Een tweede maal breng je het er misschien niet zo goed vanaf.’ Hij nam haar enkele ogenblikken aandachtig op. Zijn hoofd kwam een fractie naar voren, alsof hij een reactie van haar verwachtte.
Ze wist niets uit te brengen.
De eenhoorn gromde weer, als om de woorden van zijn berijder kracht bij te zetten. Verschrikt schoot ze achteruit.
‘Ga nu. En kom niet terug.’ De man keek op haar neer.
Ze schudde snel haar hoofd. ‘Ik heb hulp nodig. Ik ben van mijn grakkah gevallen, en hij is naar huis gerend. En ik heb mijn been bezeerd.’ Ze gooide het er in een adem uit. ‘Mijn vid is weg, ik kan hem niet meer terugvinden in het gras.’
‘Wat doe je hier dan ook? Hoe kun je nou denken dat je een grakkah in bedwang kunt houden in de buurt van een eenhoorn?’ De man schudde geringschattend zijn hoofd.
Mehory keek naar de grond; haar korte kastanje­ bruine lokken vielen voor haar ogen. Niemand had haar ooit verteld dat grakkahs opgewonden raakten van eenhoorns, maar de duidelijke minachting van de man maakte dat ze zich heel erg dom voelde.
‘Nu, vertel me je naam en wie ik voor je op moet roepen.’
‘Mehory Hanrahan. Mijn opa, Baris Hanrahan.’
‘Blijf hier,’ zei hij kortaf. Hij reed van haar weg en hield een stuk verderop halt met zijn rug naar haar toe. Waarschijnlijk riep hij iemand op met zijn vid, maar ze begreep niet goed waarom hij daarvoor een eind bij haar vandaan ging. Hij steeg af, liep naar haar terug met zijn eenhoorn naast zich. Nu hij niet meer boven haar uittorende, leek hij een stuk aanspreekbaarder. Minder bedreigend, ook. ‘Ik heb contact gehad met de Kazerne. Die zorgen dat je grootvader weet dat je hier bent. Goed. Blijf hier maar op hem wachten. Hij kan je hier goed zien, op de heuvel.’
Mehory knikte. Toen verscheen een rimpel tussen haar ogen. De zweef van haar opa kon toch gewoon de coördinaten van zijn vid overnemen? Ze keek naar zijn polsen en nu pas viel haar op dat hij helemaal geen vid om had. Hoe kon hij dan in hemelsnaam contact met de kazerne hebben? Ze besefte pas dat ze hem argwanend stond op te nemen toen hij haar met opgetrokken wenkbrauwen aankeek. Ze schudde haar hoofd en keek betrapt van hem weg. Misschien had hij andere apparatuur?
‘Je redt het wel van hier. Oh, en wat ik zei, meende ik: geen uitstapjes meer op onze gronden. Deze keer heb je veel geluk gehad.’ Hij hield Mehory’s blik vast, tot ze haar ogen neersloeg. Toen groette hij kort en vertrok.
‘Bedankt,’ riep ze hem na. Hij reed over een heuvel en verdween uit zicht. Ze vroeg zich af wat hij met die laatste opmerking bedoelde.

***

De rode zweef van haar grootvader landde verderop. Het gestroomlijnde vehikel zonk weg in het hoge gras. Mehory kwam overeind. Haar been was inmiddels stijf en opgezwollen. Lopen was pijnlijk.
Haar grootvader sprong uit de zweef en haastte zich naar haar toe. ‘Wat is er gebeurd, Mehory?’ Bezorgd ving hij haar op en ondersteunde haar op weg naar de zweef. ‘Wat doe je hier?’
‘Kilwick schrok. Ik kon hem echt niet meer houden, opa, hij was zo wild. Ik ben eraf gevallen. Ik reed langs de bosrand.’
Haar grootvader was ineens scherp. ‘Je weet heel goed dat je daar niet mag komen. Dat is je vaak genoeg uitgelegd.’
‘Maar ik ben het woud niet uitgereden, alleen tot aan de zoom, en daar schrok Kilwick.’ Ze voelde zich niet erg gemakkelijk bij die leugen.
Haar grootvader keek haar lange tijd aan, en ze hoopte maar dat ze niet rood zou worden onder die blik. Toen haalde hij zijn schouders op en ging met zijn vingers over het bedieningspaneel van de zweef. ‘Goed. Laten we gaan, kijken of Kilwick al thuisgekomen is. En iets aan dat been doen.’
De zweef kwam soepel van de grond, suisde over de bosrand. Opgelucht zuchtte ze en nestelde zich in de stoel, die zich automatisch aanpaste aan haar houding. Ze wist dat hij haar niet geloofde, maar hij zou er niet meer op terugkomen.

***

Mehory reed uit met Kilwick. Het had naar haar zin veel te lang geduurd voor haar grootvader het weer goed vond dat ze kon rijden. Haar gekneusde been had rust nodig, zei hij. Kul, vond Mehory. Dat been deed toch wel zeer, of ze nu stilzat achter de holo of wat anders deed.
Ze kon niet laten de grakkah richting de eenhoorngronden te sturen. Alleen maar kijken, vanaf de bosrand, nam ze zich voor, gewoon kijken… dat was niet verboden, wel? In gedachten koesterde ze de ontmoeting met de rijder. Haar herinneringen waren gestold en opgepoetst, tot ze een grote betekenis hadden aangenomen, al wist ze nog niet welke.
Hoewel de man en zijn eenhoorn niet mis te verstaan waren geweest, had ze het gevoel dat ze een glimp van een andere wereld had opgevangen. Een wereld, die een onverklaarbare fascinatie in haar had gewekt.
Niet dat de eenhoorn aan haar verwachtingen had voldaan. In haar verbeelding waren het wezens geweest van een uitzonderlijke schoonheid, en een ongeëvenaarde zachtheid en intelligentie. Geen grommende, uit hun krachten gegroeide springherten met een spies op hun kop.
Dat was ook niet eerlijk.
De eenhoorn was wel degelijk een imponerende verschijning. Als ze erover nadacht, was het ook logischer dat het dier zo’n aardse en strijdkrachtige indruk maakte. Tenslotte waren het de eenhoorns die gevochten hadden in de oorlogen en hadden gezorgd dat ze de galoith verslagen hadden. De zoetsappige holo’s die ze op school projecteerden, die hadden haar zulke drogbeelden ingeprent.
Het was niet zulk lekker weer, regenachtig en koud. Ze had zich goed ingepakt. Ze liet haar grakkah flink doordraven, zodat hij niet teveel zou afkoelen. Bij de bosrand liet ze Kilwick stilstaan en steeg af. Hij was onrustig. Zijn innerlijke barometer zei hem in beweging te blijven omdat hij anders onderkoeld raakte en hij drentelde steeds een stukje bij haar weg. Ze floot zacht om hem gerust te stellen en volgde hem, steeds een stapje verder. Ze waren nu op de plaats waar de bomen verder uit elkaar weken en er gras tussen groeide.
Ze keek uit over het glooiende land. Het had iets opwindends om hier te staan, een gevoel van gevaar en avontuur. Ze bedacht dat ze letter­ lijk de grenzen opzocht, en moest grinniken om die gedachte. Het leek op iets wat haar grootvader haar maar al te vaak voor de voeten gooide.
Ze kon niet goed zien waar de graslanden overgingen in de lucht. Een fijne motregen vervaagde de contouren van het heuvellandschap, schilderde alles in ontelbare grijstinten.
Ze maakte aanstalten om naar huis te rijden, maar ze treuzelde, tuurde de heuvels af. Een beweging trok haar aandacht, maar het was slechts een vlucht grijze druhthers: hun leerachtige groengrauwe ­ vleugels glommen van het vocht en lichtten vaag op tegen de hemel.
Het begon harder te regenen. Ze proefde de zilte smaak van het ­ regen­ water op haar lippen. Haar jack was waterdicht, maar vocht sijpelde langs haar hals in haar kraag en kroop koud omlaag in haar trui. Ze kon niet langer dralen, Kilwick zou te snel afkoelen in deze stortregen als hij stil bleef staan.
Ze steeg op, keek nog eenmaal over de heuvels.
Aan de horizon bewoog iets. Eerst wist ze niet zeker of ze het goed zag door het fijne waas van regen. Ze staarde een poosje, toen wist ze het zeker: eenhoorns!
Kilwick had alleen oog voor de bosrand waar hij meer beschutting tegen de koude wind en regen zou vinden, en dat was maar goed ook.
Het was een kleine groep die dicht bijeen bleef. Ze bewogen niet snel, maar kwamen wel haar kant op. Ze kon haar ogen er niet van afhouden. Langzaam naderde de groep haar. Een schok van opwinding ging door Mehory heen: een van de dieren was zo klein, dat moest wel een veulen zijn!
Kilwick draafde nog steeds in dat trage tempo naar de bosrand, en ze liet hem begaan terwijl ze haast achterstevoren op zijn rug zat. Niet kijken, Kilwick, niet kijken, smeekte ze inwendig.
De eenhoorns graasden wat, trokken weer verder, de heuvel over. Mehory keek hen na. Een diep gevoel van ontzag en ontroering vervulde haar, maar ook van verlangen om de dieren te naderen, ze aan te raken. Het was belachelijk, maar dat was wat ze wilde.
Met ferme druk van haar benen dwong ze Kilwick om in een snelle draf evenwijdig aan de woudgrens te gaan. Ze veegde natte ­ slierten haar van haar voorhoofd en stuurde de grakkah een helling op.
Bovenaan de heuvel stond hij plotseling stil en gooide met wijd­ open bek zijn kop omhoog. Hij blies vervaarlijk en klauwde met zijn voorpoten in de lucht. Mehory liet zich in een reflex voorover vallen en pakte haar rijdier achter de kop bij de uitsteeksels vast, terwijl ze zich met haar benen stevig om zijn romp klemde. Ze had de grootste moeite om in het zadel te blijven.
Een eenhoorn doemde voor haar op, steigerde hoog. Het dier was alleen. Kilwick raakte helemaal over zijn toeren nu; hij blies en siste en grote vlokken schuim sproeiden uit zijn bek. Hoewel ­ Mehory het uit alle macht probeerde, kon ze hem niet in bedwang ­ houden, en toen hij zijn kop een paar keer heftig op en neer bewoog om de eenhoorn te imponeren, slingerde hij haar weg alsof ze een hinderlijk insect was.
Met een harde smak boorde haar gezicht zich in het taaie gras. Het sneed haar gezicht. Even bleef ze op haar buik liggen, toen krabbelde ze zo snel mogelijk overeind. Ze schreeuwde tegen Kilwick, die zich oprichtte in een imponerende houding en een paar stijve passen richting de eenhoorn zette. Hij blies hard en klapperde met zijn bek zodat het schuim alle kanten op sproeide en de gele tanden blikkerden. De eenhoorn stond fier tegenover Kilwick, de manen tegen de ­ uit­ dagend gebogen hals geplakt van de regen. Toen Kilwick nog dichter naderde, verhief het dier zich met een angst­aanjagende maar tegelijker­ tijd melancholieke schreeuw op de achterpoten. Het kromde het lijf om zich naar voren te werpen en boog de hals zodat de hoorn recht naar voren stootte.
‘Kilwick, pas op,’ schreeuwde Mehory, alsof dat ook maar iets te be­tekenen had.
Het wezen schoot op de grakkah af, kwam door de kracht van zijn beweging zelfs los van de grond. Kilwick deinsde terug. Met ­ maaiende bewegingen van de achterpoten keerde hij, vloog toen als een schicht over de wapperende grashalmen.
De eenhoorn stond hem met de borst vooruit na te kijken. Mehory ver­wonderde zich over de koele maar waakzame blik waarmee het dier de terug­tocht van Kilwick volgde, alsof het dier tevreden was over zijn eigen optreden.
Ze stond doodstil. Behoedzaam hield ze de eenhoorn in het oog. Ze was maar alleen en dit dier had wapens waarmee het haar makkelijk kon doden. Ze was zich pijnlijk bewust van haar kwetsbaarheid.
Het dier draaide zijn kop in haar richting.
Hij keek haar aan, en uit die blik sprak een verwachting die haar verwonderde. Wat wilde dat wezen van haar?
Zijn donkere ogen weerkaatsten het licht alsof er regenbogen over zijn netvliezen lagen, en bij iedere beweging die hij maakte, weerspiegelden de irissen waaiers van kleur. Ontelbare fijne rimpeltjes tekenden spinnenwebben op zijn oogleden.
Ze ervaarde een eigenaardige sensatie van jeuk aan de binnenkant van haar hoofd, te vergelijken met het gevoel van regendruppels op je neus. Geïrriteerd schudde ze haar hoofd.
De eenhoorn snoof, liet toen het hoofd zakken. Ze zette zich schrap, maar de hoorn werd niet op haar gericht. Het dier krabde met een enorme klauw aan de knie van zijn andere poot.
Wat kom je iedere keer op ons terrein doen?
Ze keek rond. Wie sprak daar? De stem had onduidelijk geklonken, maar dichtbij. Wantrouwig bekeek ze het dier voor haar. Ze wist van haar geschiedenis­ lessen dat de eenhoorn via telepathie sprak. Dat wist ze en toch was het iets heel anders om zoiets tijdens een les te horen, dan om het zelf mee te maken.
Ik ben het die sprak. Heb geen vrees. Ik wil je geen kwaad doen. De stem klonk anders dan ze ooit gehoord had, zo zacht, zo bedeesd, en tegelijkertijd met een galm, alsof hij in een hele grote holle ruimte sprak.
‘Jij… de eenhoorn, ik bedoel…’ Ze kwam niet uit haar woorden, zweeg verward.
Ja. De eenhoorn. Zijn stem klonk geamuseerd, een beetje plagerig zelfs, en ook duidelijker dan daarnet.
Onwillekeurig huiverde Mehory. Het was vreemd de stem van dit dier in haar hoofd te horen. Het gaf haar het gevoel dat ze de controle over haar gedachten kwijt was. Kon hij haar gedachten lezen? Het idee vervulde haar met angst, alsof ze een stukje van zichzelf kon verliezen aan dit vreemde wezen.
Ik vrees dat ik je rijdier angst aangejaagd heb.
‘Nou en of,’ mompelde ze.
De eenhoorn keek haar aan, kwam naar haar toe. Hij reikte met zijn lippen, en ze deinsde terug, bedacht toen dat ze niet wist hoe de eenhoorn dit op zou vatten – angst, onbeschoftheid misschien – en bleef als bevroren staan. De eenhoorn rekte zijn hals en zijn snuit, eeltig van het schuren over gras, tastte over haar wang. Onwillekeurig deed Mehory wat ze in zo’n geval bij een grakkah zou doen: ze krauwde zacht aan de benige uitsteeksels op zijn kop en aan de basis van de hoorn. Het geluid dat nu in haar hoofd klonk leek verdacht veel op lachen.
Ik ben geen grakkah, mens. Wij geven elkaar een snuit ter ­ begroeting.
Verward deed ze een stap terug. Toen gaf ze hem spontaan een zachte kus op zijn neus. Verschrikt keek ze op. Was ze te ver gegaan? Ze keek recht in zijn flonkerende ogen.
Gegroet, mens. Mijn naam is Harthoorn.
‘Mehory.’
Jij bent de mens, die laatst door Aliax en Slachthoorn weggestuurd is?
Aliax, Slachthoorn? Ze besefte dat hij de rijder bedoelde die haar laatst geholpen had, knikte. Ze geneerde zich ineens een beetje. Eigenlijk was ze ook maar een indringster hier.
Waarom ben je hier weer?
Ze haalde haar schouders op. Wat moest ze antwoorden?
Je hebt naar de merriegroep gekeken. Dat verontrust ons.
‘Ik vond het zo mooi, het veulen,’ fluisterde ze.
Zijn uitdrukking veranderde plotseling. Droevig keek hij haar aan. Het is het enige veulen van dit jaar. De merries zijn erg beschermend. Pas op, Mehory, als ze aanvallen, maak je geen schijn van kans. Zijn woorden klonken vriendelijk, maar waren duidelijk genoeg.
‘Het spijt me.’ Haar woorden waren niet meer dan een fluistering, en gingen verloren in het roffelen van de regen op de halmen. Ze moest maken dat ze terug naar huis kwam. Haar grootvader kon ieder moment arriveren en hij zou helemaal buiten zichzelf raken van ongerustheid als hij Kilwick bij de stallen vond zonder zijn berijder.
‘Ik moet gaan,’ zei ze met tegenzin. Ze voelde zich meer op haar gemak nu dit dier een naam bleek te hebben, zelfs met haar wilde praten.
Is het ver naar je huis?
Ze haalde haar schouders op. ‘Het is een behoorlijke wandeling, ja.’
Denk je dat je op me kunt komen, zo?
Mehory had het ineens niet koud meer. ‘Op je rug, je bedoelt, rijden?’
De eenhoorn knikte.
Mehory moest opzij springen om te voorkomen dat de lange hoorn in haar gezicht zwaaide. ‘Echt waar?’ Haar wangen gloeiden.
Rijden. Op de eenhoorn. Ongelovig staarde ze Harthoorn aan, maar hij zwaaide opgewekt met zijn hoorn. Had ze het mis, of was hij zelf een beetje opgewonden bij het vooruitzicht? Ze schatte zijn hoogte in, aarzelde. ‘Je bent wel hoog.’
Je hoeft niet op mijn rug te springen, Mehory. Hij liet zich op een knie zakken. Ondanks haar opwinding ontroerde dat haar, dat dit vreemde, machtige wezen voor haar op zijn knie ging liggen. Ze keek naar de onderkant van de klauw, die uitgebloeide halmen opzij duwde. De leerachtige kussens waren ont­spannen, en de gekromde nagels, vier in totaal, lagen ontspannen uit­gestrekt in het gras. Ze hadden een geelroze kleur, en vuile randen tekenden de plaats af tot waar de nagels meestal in de bodem gingen.
Ze ging naast hem staan en legde haar hand op zijn schouder. Ze drukte zich tegen hem aan, koesterde zich in de warmte die van zijn natte lichaam afstraalde.
Harthoorn duwde zijn snuit tegen haar rug. Toe dan.
Ze verbaasde zich nogmaals over die bijna timide stem, die in haar hoofd galmde met de welluidendheid van een bronzen klok. Ademloos legde ze haar hand over zijn rug, klom behoedzaam op hem.
Hij kwam voorzichtig overeind, stond een moment stil. Mehory zat in stil ontzag op zijn rug. Dit was zo mooi dat haar borst leek te zwellen om alle gevoelens te bevatten die ze ervaarde. Wauw, dacht ze alleen maar. Iedere andere gedachte was overbodig.
Harthoorn zette zich in beweging en draafde met zijn lange poten richting het woud. Het kostte haar wat moeite het ritme van de passen te vinden en te volgen, waardoor ze soms problemen had niet van zijn rug te glijden als hij ineens van richting veranderde om een kuil te vermijden.
Wijs me de weg.
‘Ik wist niet dat jullie de territoriumgronden wel eens verlieten?’
Er is veel wat je niet weet.
Ze grinnikte om zijn woorden, liet zich meevoeren op zijn sterke rug. Het verbaasde haar hoe snel ze op de weg kwamen die het woud uit voerde. Daar stopte de eenhoorn en ze liet zich met tegenzin van hem afglijden. Aarzelend bleef ze naar hem staan kijken. Hij snoof, stak zijn snuit naar voren. De stugge haren op zijn neus kietelden haar gezicht.
Wanneer zie ik je weer, vroeg hij, en hij hield vragend zijn hoofd schuin.
‘Morgen,’ zei ze in een opwelling. Ze wilde hem zo snel mogelijk weer zien. Iets in haar binnenste wriemelde, een gevoel van opwinding, van avontuur. Het stond haar tegen om hem zo snel weer achter te laten. Ze wilde bij hem zijn.
Ze nam afscheid van hem. Als ze doorliep, was ze voor donker thuis.

***

‘Mehory, wat is er gebeurd?’ Haar grootvader kwam met snelle passen op haar toegelopen zodra hij de achterdeur open hoorde zoeven. De deur klikte automatisch achter haar dicht.
‘Je gezicht, wat heb je gedaan?’
Ze keek hem een ogenblik vragend aan, toen tastte ze naar haar gezicht en voelde aan het geronnen bloed in de krassen. ‘Het zijn maar schrammen, opa. Ik ben van Kilwick gevallen. Is hij al thuisgekomen?’
‘Ja. En als je je vid gedragen had, had ik je dat allang laten weten,’ zei haar grootvader onverwachts streng. ‘Waarom laat je hem thuis? Je weet dat het niet deugt.’
Mehory stond op het punt haar schouders op te halen, toen ze de uitdrukking op het gezicht van haar grootvader zag. Ze zou er niet mee wegkomen – nu niet. Ze probeerde een verklaring te verzinnen waar haar grootvader genoegen mee zou nemen en vond er geen. Dus zweeg ze.
‘Kom mee, dan praten we verder. Je ziet eruit alsof iemand geprobeerd heeft je in een sloot te verzuipen.’
Ze volgde haar grootvader zijn werkkamer binnen. Dat betekende dat hij het tijd vond een hartig woordje met haar te wisselen. Druipend stond ze tegenover hem en hoopte dat hij het kort zou houden. Ze wilde een warm bad, droge kleren en dan wat eten.
‘Mehory, ik heb het gevoel dat je me bedondert. Je weet dat ik daar slecht tegen kan. Wees eerlijk.’
Ze stond in tweestrijd. Wat moest ze hem vertellen? Ze zag bezorgdheid op zijn gezicht, opkomende boosheid. Rond zijn mond waren de lijnen verstrakt en dieper geworden zodat ze twee groeven tot langs zijn neus vormden. Ze kende die trek.
Hem de waarheid vertellen durfde ze niet goed. Niet dat ze veel geheimen had voor haar grootvader, maar iets zei haar dat hij dit weleens niet zou kunnen waarderen. En dit geheim had iets spannends, iets van verboden vruchten. Ze zocht naar een verklaring die hem tevreden zou stellen.
‘Is het een jongen?’
Ondanks zijn uitdrukking schoot ze in de lach. ‘Kom op, opa. Dat zou ik je toch vertellen? Ik ben gewoon van Kilwick gevallen. Hij was nogal schichtig vandaag. Geloof me nou.’
Haar grootvader aarzelde.
‘Ik zal mijn vid niet meer vergeten. Ik beloof het.’
‘Mooi,’ zei hij uiteindelijk, en ze haalde opgelucht adem. ‘Ga nu jezelf opknappen alsjeblieft, je gezicht is zo zwart dat ik je sproeten niet eens meer kan zien. En doe wat helende zalf op die krassen, je ziet er niet uit.’
Mehory maakte dat ze op haar kamer kwam. Ze stapte haar badcabine in en selecteerde een uitgebreid programma. De douche spoot zijn warme stralen van alle kanten op haar lichaam, zette haar in de shampoo, lotion en blies haar droog. Ze keek in de spiegel en vertrok haar gezicht ontevreden, waardoor haar wenkbrauwen ronde boogjes boven haar diepbruine ogen vormden. Ze vond haar wangen toch al iets te rond, en de krassen accentueerden dat ook nog eens. Ze bracht wat helingslotion aan die de schrammen ook meteen verborg.
Haar gedachten keerden telkens weer terug naar Harthoorn. Ze miste hem.

***

Harthoorn wachtte al op haar. Ze steeg op en hij ging in een kalm drafje door het woud. Ineens vloog hij ervandoor op de graslanden. Ze hield zich stevig vast aan zijn manen en ging voorover op zijn hals liggen. Ze voelde zijn rugspieren zich strekken en welven tegen haar dijen, en de wind dreef tranen uit haar ooghoeken.
Kilometers verder minderde Harthoorn vaart en kwam hijgend tot stilstand. Zijn flanken zwoegden op en neer en de roze huid schemerde door de witte vacht waar deze aan elkaar geplakt was van het zweet. Fijne aderen liepen als een netwerk over zijn schouders en schoft. Mehory liet de pluk manen los die ze al die tijd krampachtig vast had gehouden. Pas nu voelde ze dat haar vingers pijn deden. Ze liet zich van zijn rug glijden, ging naast hem in het gras zitten. In een impulsief gebaar sloeg ze haar arm om zijn hals, achter zijn oren. Haar hand rustte losjes op zijn manen.
Behoedzaam zakte hij door zijn poten om zijn warme lijf tegen haar aan te vlijen in het gras. Zijn lange benen lagen languit voor hem in het gras gespreid, hij sloeg ze over elkaar en liet zijn snuit in het gras rusten. Dat vertederde haar. Ze nestelde zich in de holte achter zijn elleboog. De geur van zijn zweet was zoet en kruidig. Ze legde een arm over zijn rug, ging met haar nagels door zijn vacht. Hij strekte genietend zijn hoofd naar voren en klapperde met zijn oren op en neer.
Een ruiter verscheen als een stipje aan de horizon. De zon stond laag achter hen, zodat hij niet meer dan een zwart vlekje was, met af en toe een wit oplichtend randje, maar hij kwam in een snel tempo op hen af.
Ga op mijn rug zitten, Mehory, nu!
Ze schrok van de dringende toon in zijn stem, sprong op zijn rug, en Harthoorn verhief zich in een vloeiende beweging. Hij draafde de ruiter traag tegemoet, met stugge passen, alsof hij tegen de ontmoeting opzag. De zon stond laag achter de rijder, en Mehory zag pas wie hij was toen hij hen al dicht genaderd was.
Aliax op zijn vervaarlijke rijdier.
Even keek hij verbaasd, toen verhardde zijn gezicht zich en bezag hij hen grimmig. ‘Sommigen willen niet luisteren.’
Zeg hem dat je het volste recht hebt om hier te zijn. Zeg hem dat ik dat wens. Zeg hem, dat de oude wetten dat mogelijk maken.
‘Waarom zeg je het zelf niet?’ vroeg ze. Ze realiseerde zich dat ze een raar figuur sloeg tegenover Aliax.
Omdat, Mehory, ik niet met hem kan communiceren. Alleen via jou, of via Slachthoorn. Maar die weigert nu naar mij te luisteren.
In Aliax bruin met groen gespikkelde irissen verwijdden de pupillen zich toen tot hem doordrong wat er gaande was. ‘Kun jij met Harthoorn praten?’ vroeg hij half ongelovig, half dreigend.
Zeg het. Het was een smeekbede en een bevel tegelijk, maar onder zich voelde ze Harthoorn trillen.
Ze schraapte haar keel. ‘Volgens Harthoorn maken de oude wetten mijn aanwezigheid hier mogelijk.’
Aliax spuwde op de grond. ‘Harthoorn komt er nog wel achter wat hier mogelijk is.’
Ze voelde hoe Harthoorns spieren zich spanden, hoe hij zich schrap zette. Slachthoorn schraapte heel langzaam en dreigend met zijn klauw over de grond. Uit de uitwisseling van lichaamshoudingen en gelaatsuitdrukkingen maakte ze op dat Harthoorn met Slachthoorn in gesprek was, maar wat ze zeiden ontging haar volkomen.
Zeg tegen Aliax dat een gevecht hier niet volgens de wetten is, en dat zij zich aan de oude wetten dienen te houden! Harthoorn klonk nu zeer gealarmeerd. Hij trok zijn lippen op, zwaaide nerveus met zijn hoorn. De strakke blik die Slachthoorn op hem gevestigd hield, leek hem nog meer van streek te brengen.
Ze bracht de boodschap over. Aliax kreeg een afwezige blik in zijn ogen, en Slachthoorn snoof woedend.
‘Harthoorn heeft gelijk. Maar jij hoort hier niet.’
Harthoorn slaakte een schrille en toch melodieuze kreet, en nu klonk niet alleen die vreemde droefgeestigheid erin door, maar ook wanhoop en woede.
Jij hebt alle recht om hier te zijn. Het is alleen niet de gewoonte, maar dat is het wel ooit geweest. Zeg hem dat ik het recht heb om te kiezen wie ik wil!
‘Wacht eens even, wat is dit,’ vroeg ze Harthoorn. ‘Wat is dat over kiezen?’ De woorden van de eenhoorn vormden een storm van emotie en verwarde woede in haar hoofd. Later, Mehory. Vertel hem eerst wat ik net zei.
Met verhit gezicht keek ze van Harthoorn naar Aliax. ‘Waar gaat het hier nou over? Mag ik hier nu zijn, of niet?’ Ze fronste haar wenkbrauwen, schudde ongeduldig het hoofd.
‘Dat valt nog te bezien,’ zei Aliax langzaam, waarbij hij Harthoorn dreigend aankeek. Deze stak verdedigend zijn hoorn in de lucht, en sloeg hard met zijn klauw op de grond.
‘Dat gedrag hoef ik niet te tolereren, dat weet je,’ beet Aliax de eenhoorn ziedend toe. Ze keek bevreemd naar hem. Was dit nu zo’n grove belediging? Ze begreep niet de helft van wat er gebeurde, en dat ergerde haar mateloos. Wat ze wel begreep, was dat hier iets uit de hand dreigde te lopen, iets waarin haar aandeel verkeerd kon uitpakken.
‘Wat is dit?’ Ze schreeuwde zo hard dat haar stem oversloeg. Woedend, met gloeiende wangen, keek ze naar Aliax. De spieren in haar schouders trilden.
Aliax en Slachthoorn keken haar verbijsterd aan. ‘Wat in naam van de hoorn…’ begon Aliax. ‘Ben jij altijd zo licht ontvlambaar?’
‘Nee. Maar jullie praten maar, en ik weet niet eens waarover.’
‘Dat lijkt me duidelijk genoeg. Jij hebt hier niets te zoeken, maar dat was je al eens verteld.’
Keuzerecht, Mehory. Vertel hem dat. Het staat in de oude wetten, zei Harthoorn dringend.
‘Harthoorn heeft het over het keuzerecht uit de oude wetten.’
‘De wet waar Harthoorn op doelt is al lang in onbruik geraakt. Dat gaat hem niet redden.’
Onbruik is niet hetzelfde als onwettig.
Ze bracht zijn woorden over.
Even leek Aliax van zijn stuk gebracht. ‘De raad zal hierover beslissen, Harthoorn. En nu kom je mee.’
Hij schudde zijn hoofd. De lange hoorn zwaaide vervaarlijk heen en weer. Eerst zal ik jou thuisbrengen, Mehory.
Aliax snoof toen ze de boodschap overbracht. ‘Goed. Dan kunnen jullie gelijk afscheid nemen.’ Hij wendde zich tot Harthoorn. ‘Je bent een dwaas als je denkt dat je hiermee weg kunt komen, zoon van Ennerhoorn.’ Hij legde betekenisvol de nadruk op de laatste woorden.
Slachthoorn gromde dat lage, onheilspellende gerommel vanuit zijn keel en keerde zich vliegensvlug om. In een snelle galop verdwenen ze over de heuvel.

***

Harthoorn bracht haar door het woud. Mehory kon zich niet langer in­houden. ‘Wat was dat allemaal?’
Hij snoof en zijn oren klapperden mistroostig langs zijn kop in het ritme van zijn stappen. Ik had nog even willen wachten, maar dat gaat nu niet langer. Ik heb de leeftijd bereikt waarop ik de keuze moet maken. Ik moet iemand zoeken om mij aan te binden.
‘Wat betekent dat?’ viel Mehory hem in de rede.
Iemand die een verbintenis met mij aangaat, zodat we samen de opleiding kunnen doorlopen tot strijder tegen de galoith. Je kent de oude geschiedenis toch wel?
‘Jawel,’ zei Mehory, die zich de geschiedenislessen probeerde te herinneren. Het was niet haar favoriete vak. Exacte vakken lagen haar beter. Bovendien, gebeurd was gebeurd. Wat had het voor zin je te verdiepen in dingen waaraan je niets meer kon veranderen?
Nog steeds worden er strijders opgeleid.
‘Waarom in Araksnaam? We hebben al in geen eeuwen last van de galoith gehad. Er is toch nog maar een handjevol van hen, op Gaia? Dat is honderden kilometers hiervandaan.’
Dat is zo. Maar dat is nu, dat kan veranderen.
‘En bovendien, waarom al die ouderwetse poespas met eenhoorns, als we alle technologie hebben om ze uit te roeien als we dat zouden willen?’
In de tijd van de Grote Oorlogen beschikte de mens ook over geavanceerde technologie. Maar de galoith hebben krachten waar de mens met al zijn technologie hulpeloos tegenover staat. De galoith ­ kunnen met hun magie de planeet zelf tegen de mens opzetten. Daar­ om is het verbond tot stand gekomen. De mens kon niet zonder de eenhoorn in de strijd tegen de galoith.
Dit was een van de dingen waar Mehory altijd sceptisch tegenover had gestaan. Ze zag de oude geschiedenis voor een groot deel als een legende, een mooi verhaal, niet als een feitelijke weergave van gebeurtenissen. Maar ze had het verhaal ook nog nooit van een eenhoorn gehoord.
Maar nu. Volgens de oude wetten moet een eenhoorn iemand zoeken die geschikt is als eenhoornrijder. Veel is niet meer zoals het was. Er worden nog maar weinig eenhoorns ge­boren, en het is de gewoonte dat een van de jongeren die in de kazerne geboren zijn, gekozen wordt. Soms wordt het al voor je geregeld voor je geboren bent. Dit is ook mijn lot. Ik ben voorbestemd mijn opleiding te doorlopen met een jongen die nauwelijks over aanleg beschikt.
‘Aanleg?’
Ja. Dacht je dat iedereen ons kon verstaan? Weinigen hebben dit vermogen, en het lijkt zeldzamer te worden.
De huid op Mehory’s armen tintelde. Ze wist dat ze goed met dieren over­weg kon, maar dit was iets bijzonders. Zij had een gave.
Het wordt vaak doorgegeven van vader op zoon, moeder op dochter. Maar dat hoeft niet. Zoals jij ook het vermogen hebt, Mehory.
Zwijgend legden ze de rest van de tocht af. Ze overdacht wat Harthoorn haar verteld had, probeerde te bevatten wat de vraag die hij onuitgesproken stelde, voor haar betekende. De wereld waarin hij leefde, de kazerne, dat alles was een grote witte vlek in haar hoofd. Het ­ duizelde haar, beangstigde haar – maar tegelijkertijd was ze benieuwd naar die wereld. Het was zijn wereld en ze wilde alles met hem delen.
Harthoorn bracht haar tot vlak bij huis. Ze gleed van zijn rug, streelde het benige hoofd met de hoekige vlakken en de gladde beharing. Zijn grote, donkere ogen keken haar vragend aan. Regenbogen van kleur spatten eraf toen zijn hoofd bewoog.
‘Geef me tijd, Harthoorn.’
Hij knikte, keerde zich om. Ze keek hem na. Maar het deed pijn toen hij uit zicht verdween, en toen ze dat gevoel van gemis voelde, dat zich nu al als een holte in haar binnenste openbaarde, wist ze dat haar lot voor altijd met het zijne verbonden zou zijn. Hij vulde een plaats in haar waarvan ze tot dit moment niet geweten had dat deze leeg was geweest. En ze besefte dat ze wilde kiezen, maar dat de keuze al ­ gemaakt was.

Verder lezen? Ga dan snel naar bol.com en koop het boek

Reacties