Hoe een schrijver wordt ingehaald door de werkelijkheid

 
 
Inspiratie is als een lawine. Het begint klein, met een losse gedachte. Die moet je wel even bewust opslaan in je brein of in een notitieboekje vastleggen, anders blijft het een van die vele honderden best interessante maar vluchtige gedachten die je op een dag hebt maar die direct weer oplossen in de chaos van alledag.
Pak je die gedachte echter bij de poot, dan gebeurt er iets merkwaardigs.
Je ontdekt hoe je die ene interessante gedachte vorm kunt geven, hoe hij groeit, eerst in je hoofd, dan op papier. Het wordt een verhaal.

Intussen kom je erachter dat je niets weet.
Je weet niets over daklozenopvang van minderjarigen. Je weet niet hoe de Franse ME genoemd wordt. Hoe ruikt een de Organic Ethiopia Yirgacheffe van de Starbucks? En hoe zag het Centraal Station in Amsterdam er ook alweer uit?
Schrijven is een constante confrontatie met dat wat je niet weet. Omdat jij schrijft over iemand die jij niet bent, die andere ervaringen, een andere achtergrond heeft, en in een andere omgeving leeft.
(Schrijven over jezelf, of over een personage dat heel dicht bij je staat is trouwens nog erger: dat drukt je met je neus op het feit dat je over jezelf een heleboel dingen niet wílt weten, maar dat juist die dingen open en bloot gelegd dienen te worden omdat het verhaal ze nodig heeft. De hel heeft vele ringen. Over jezelf schrijven is er een van.)

In het geval van De schaduw van alles, het verhaal waar ik nu aan werk, ging het zo: demonen, schaduwen, internet, help! He, Joodse demonen. Mooi. Precies wat ik zocht.
Joodse demonen, joods personage.
Een zoektocht op internet.
Boeken.

Dan dringt er iets tot je door.
Je kunt het niet over een hedendaags Joods personage in een Franse stad hebben en je ogen sluiten voor de angst voor terreur waar hij onherroepelijk mee te maken heeft.
Dan volgt daaruit een andere stap die je in gedachten zet: waarom wist ik dit niet? Waarom wist ik niet dat dit zo heftig was? En dan besef je dat het antwoord op deze vraag heel simpel is: het is haat die niet op jou gericht is, dus je hebt ook de luxe om hem niet te zien, zelfs als je ernaast staat.

40% van de autochtone Franse bevolking koestert in meer of mindere mate antisemitische gedachten.
60% van de Moslimbevolking in Frankrijk koestert dergelijke sentimenten.
Een paar cijfers waar we ons geen raad mee weten.
Voor Joodse scholen in Nederland staat permanent bewaking.
De neonazi's in Charlotsville zijn ook niet uit een vacuüm gekomen. Ik heb een poosje rondgehangen op The Daily Stormer Online. De Jodenhaat druipt er vanaf.

Vroeger was de wereld nog een overzichtelijke plaats.

Vorig jaar begon ik met het schrijven van dit verhaal. Toen drong tot me door dat antisemitisme als een veenbrand om zich heen greep en dat uiteindelijk alles in de brand zou staan.

Het was eng om de beelden in Charlotsville te zien. Jodenhaat, open en bloot. Verheerlijking van Hitler, zelfs. En tegelijkertijd was ik vol ongeloof.
Gaat het zo hard, als haat eenmaal uit zijn hok gelaten wordt? Wint het zo hard aan momentum, vreet het zich zo genadeloos een weg door samenlevingen?

Mijn boek is een ander boek geworden, grimmiger. Het is ingehaald door de werkelijkheid. Wel een sterker boek - het gaat ook over hoop, over licht. Maar toch een boek waar ik nog steeds over twijfel. Kan ik hier wel over schrijven?
Alles wat gebeurt mag beschreven worden. Maar door mij?

Voor de echte wereld geldt: er is geen weg terug. Maar er is altijd een weg vooruit, en waarheen die leidt, bepalen we allemaal.

Omdat dit onze wereld is.




Reacties